ANTHROPOSOPHIE

MAANDBLAD

VOOR SOCIALE, PAEDAGOGISCHE EN GEESTESWETENSCHAPPELIJKE

VRAAGSTUKKEN INHOUD.

Pag. heeten, in zonde BR CMN VE Kel LAA ie ЕА CORNELIS Los. Taliesin, de laatste der barden . . . 385 WILLEM А. MIRANDOLLE. Kerstmis . . . . . . . 393 MAX STIBBE. Dichtkunst in de toekomst . . . . . 401

2de JAARGANG 12 DECEMBER-NUMMER 1923 UITGEGEVEN ADMINISTRATIE 45 PARKSTRAAT UTRECHT

MEDEDEELING.

Het is voor het laatst dat het tijdschrift „Anthroposophie” in deze vorm verschijnt. In het volgende jaar zal het worden voortgezet als Nederlandsch bijblad van „das Goetheanum.”

De redactie van „Anthroposophie” meende om verschillende redenen hiertoe te moeten overgaan.

In de eerste plaats moet er de aandacht op gevestigd worden, dat het „Goetheanum” een weekblad is, dat aan de spits staat van alle bladen, die zich in dienst van een gees- telijke beweging hebben gesteld. Het is eigenlijk, zoowel naar vorm âls naar inhoud, niet te vergelijken met eenig ander tijdschrift.

Waar een tijdschrift er gewoonlijk naar streeft een zekere actualiteit te bezitten, die problemen dus te behandelen, die op een bepaald tijdstip in het brandpunt der algemeene belangstelling staan, daar geeft het „Goetheanum” een actu- aliteit, die daar ver boven uit gaat.

Men zou bij het ,Goetheanum” kunnen spreken van een hoogere, geestelijke actualiteit. In de beide hoofdartikelen vooral, van Dr. Rudolf Steiner en van Albert Steffen, de bekende Zwitsersche schrijver, wordt wekelijks datgene aan de menschheid gegeven, wat van uit een geestelijk gezichts- punt het meest noodige is, datgene dus, wat actueel moest zijn voor ieder, die zich rekenschap geeft van de geestelijke stromen, die het cultuurleven in werkelijkheid beheerschen.

We leven in een tijd waarin de behoefte steeds grooter wordt om de geestelijke krachten, die het zijn doordringen, {e leeren kennen. Meer en meer wordt gevoeld, dat de natuur- wetenschappelijke denkwijze, die met haar uitloopers in vrij- wel alle levensgebieden doorgedrongen is, niet bij machte is, uit zich te laten voortkomen die impulsen, die noodig zijn voor een geestelijke zelfbevrijding van de menschheid.

De geesteswetenschap, die als een vrucht van de anthro- posophie opgegroeid is, brengt die impulsen wel.

384 MEDEDEELING.

Door het ,Goetheanum” worden zij de wereld in gedragen.

Waar nu „Anthroposophie,” zij het ook op bescheiden wijze, dezelfde geestelijke stroming dienen wilde, als het in vele landen gelezen „Goetheanum,” meende de redactie, dat in deze tijd van ver gaande verbrokkeling en differentieering, „Anthroposophie” niet beter kan doen, dan zich aansluiten bij het grootere tijdschrift, in de vorm van een, op nader aan te kondigen wijze verschijnend, Nederlandsch bijblad.

DE REDACTIE.

TALIESIN, DE LAATSTE DER BARDEN. CORNELIS LOS.

In oude vertellingen en gedichten wordt ons verhaald, hoe door het uitspreken van een tooverwoord de gesloten poort werd geopend, hoe door een wonderspreuk het gebroken lichaamsdeel of de gapende wonde kon genezen. Een laatste herinnering aan oertijden der menschheidsontwikkeling, toen in het reine woord nog leefden werkende krachten. Ook het plechtige gezang, dat eens door de ingewijde priesters bij de viering van den eeredienst werd aangeheven was gestemd op de innerlijke bewegingen der klanken, was doordrongen van een heilig rhythme, dat de zin der geloovigen opvoerde tot de geestelijke wereld. De priesterzanger beoefende een gewijde kunst, die hem als beheerscher van geestelijke geheimen op aarde zijn verheven plaats gaf: door het woord klonk kos- mische wijsheid. Hij leefde mee, hoe het innerlijke zijn van het aardewezen in den zomertijd zich verheft tot lichte hemel- hoogten en in den winter zich weer in eigen diepten terug- trekt. Hij was het, die in oude tijden het volk leidde en de menschen-zielen opvoedde tot het oogenblik, dat ieder als individueel wezen zijn bewuste ikheid mocht ontvangen. De priesters gaven hun gezangen en poëtische vormen, die begeleid door snarengetokkel als hijmnen in den zomerzonnetijd aan- dachtig vereerend werden opgezonden tot den hemel; als antwoord op de offering ontvingen zij in den wintertijd het zich beleven als eigen persoonlijkheid.

Het waren de barden, de raadslieden der koningen van de eenvoudige stammen, die eens Europa bewoonden, die uit innige verbondenheid met het geestelijke leven van den kosmos wisten, wat op aarde moest geschieden. Slechts poovere resten zijn ons gebleven van getuigenissen, die verhalen van dichter- zangers, welke tegelijk nog ingewijden waren in de geheimen

386 TALIESIN, DE LAATSTE DER BARDEN.

van het heelal. Zoo verhaalt ons Diodorus van Sicilië (le eeuw v. Chr.) iets omtrent de wondere kracht, die van hun gezang uitging. Dikwijls, zegt hij, wanneer de vijandelijke troepen slagvaardig tegenover elkaar waren opgesteld, geschiedde het, dat de bardenzangers onverschrokken door hun midden schreden en door de betooverende macht van hun liederen de woede der strijders bedaarden. En zoo, voegt de beschaafde Griek er aan toe, ziet men zelfs bij de Barbaren (zooals hij de Kelten als niet-Grieksch volk noemde) hoe de dapperheid onder moet doen voor de wijsheid en Ares de Muzen eerbiedigt.

Een enkele sage verhaalt ons van de wonderbare geboorte en het leven van den laatsten bard, die nog verleden en toekomst doorschouwde, zijn bewustzijn tot de geestelijke wereld kon verheffen en den loop van zijn geheele ziele- bestaan overzag. In het Roode Boek van Hergest (Mabinogion) vinden wij het leven van den dichter Taliesin, den laatsten der barden.

In oude tijden leefde er eens een man uit een voornaam geslacht, Tegid Voel genaamd en zijn woning stond in het midden van een meer. Zijn vrouw heette Caridwen en zij hadden een zoon: Avagddu, den leelijksten man, die de wereld heeft gekend. Zijn moeder wilde hem daarom groote wijsheid meegeven, daar hij anders bij zijn komst aan het hof van Koning Arthur door zijn leelijk uiterlijk niet tot de edelen zou gerekend worden.

Daarom besloot zij volgens de aanwijzingen van het boek van Fferyllt een ketel van inspiratie en wijsheid voor haar zoon te brouwen; dan zou hem later toch een eervolle ontvangst te beurt vallen wegens zijn kennis van den toekomstigen loop der wereld. Toen begon zijn den ketel te warmen, wat onaf- gebroken een jaar en een dag moest worden voortgezet, totdat drie wondere droppels van de gaven, der inspiratie waren verkregen. Zij stelde Gwion Bach aan om in den ketel te roeren en liet een blind man, Morda genaamd het vuur opstoken. Intusschen ging zij kruiden zoeken, die op bepaalde uren, zooals dat door de sterrekundigen was aangegeven,

TALIESIN, DE LAATSTE DER BARDEN. 387

geplukt moesten worden. Tegen het eind van het jaar geschiedde het op zekeren dag, dat drie druppels van het toovervocht uit den ketel op de hand van Gwion Bach vlogen. Om de pijnlijke brandplekken te stillen, stak hij haastig den vinger in den mond en op hetzelfde oogenblik voorzag hij alles, wat zou gebeuren. Hij schouwde, dat zijn voornaamste zorg zou moeten zijn, zich voor de vervolgingen van Caridwen te vrij- waren, wier kennis zoo groot was. Aanstonds liet hij den ketel in den steek en ontvlood met groote angst naar zijn land. De pot barstte uiteen, want al het overige vocht was een sterk vergift en de paarden van Gwyddno Garanhir, die van het wegstroomende water dronken, werden er door ver- giftigd.

Zoodra Caridwen de aangerichte verwoesting zag, begreep zij, dat al haar moeite van een jaar lang werken verloren was en onmiddellijk begon zij Gwion Bach te vervolgen. Hij zag haar aankomen, nam de gestalte van een haas aan en vluchtte ijlings. Maar zij veranderde zich in een windhond en zette hem na. En hij kwam aan een rivier en werd tot visch. Maar in den vorm van een otter zwom 24 hem na, totdat hij gedwongen was als vogel op te stijgen. Zij volgde hem als havik en gaf hem ook in het luchtruim geen rust. En juist wilde zij op hem stooten, toen hij beneden zich een hoop graan op de vloer van een schuur ontdekte. Hij liet zich op het graan neervallen en werd tot graankorrel. Toen krabde zijn vervolgster als een zwarte hen de korrels uiteen en slokte hem in. En zooals het verhaal zegt, droeg zij hem negen maanden en baarde het schoonste kind, dat men zich denken kan. Daarom wilde zij hem niet dooden, maar vertrouwde hem in een mand aan de Zee toe, aan de genade van God.

In dien tijd had Gwyddno zijn vischfuik aan de kust tusschen Dyvi en Aberystwyth uitgezet en iederen Meiavond vond men er wel honderd pond in. Hij had één zoon, Elphin genaamd, een ongelukkige en behoeftige knaap; zijn vader had groote zorgen over hem, want hij vermoedde, dat hij op een slecht uur geboren was. Zijn raadslieden zeiden hem, Elphin toch

388 TALIESIN, DE LAATSTE DER BARDEN.

ook eens zijn geluk te laten beproeven en de fuik te onder- zoeken. Den volgenden avond ging Elphin er heen, doch geen enkel vischje was in de fuik. Toen hij terneergeslagen door zijn rampspoed al wilde terugkeeren, ontdekte hij een toe- gedekte mand dicht bij den oever. Hij sleepte het broze vaartuigje aan de kant en het dek openslaande, zag hij het lichtstralende voorhoofd van een kleinen jongen: Tal-iesin zij zijn naam! riep hij uit. Voorzichtig liet hij zijn paard stappen en voerde het kind als in een wiegje naar het kasteel, diep- bedroefd over het smadelijke mislukken van zijn vangst. Toen zong het kindje een lied van troost tot Elphin, waarin hij hem vermaande op Gods kracht te vertrouwen en beloofde hem zijn steun.

Aan het hof gekomen, vroeg Elphin’s vader, wat het voor een wezen was: mensch of geest? Daarop antwoordde Тайзт, dat hij als bard van oneindig meer hulp voor Elphin zou zijn, dan alle winst, die Gwyddno ooit met zijn fuik kon behalen

en dat zijn zoon dus de gelukkigste vangst had gedaan die men zich kon denken, en hij zong:

„Driemaal ben ik geboren, dat ervoer ik door meditatie. Het zou droevig zijn, wanneer de menschen niet tot mij kwamen, om al de wijsheid, die in mijn borst is besloten, te vernemen. Want ik weet wat geschied is en wat in de toekomst

zal gebeuren

Het kind werd door Elphin en zijn gemalin liefdevol verzorgd en zij namen iederen dag toe in welstand en geluk.

Eens begaf Elphin zich naar het hof van zijn machtigen oom Maelgwn ter viering van het kerstfeest en wel vier- en twintig barden, alle geleerde en kundige mannen in het berijmen van heldenfeiten uit de chronieken en de afstamming der edelen, prezen den roemrijken heerscher. Toen stond Elphin op en zeide: „Ik heb één bard aan mijn hof, die alle barden van den koning overtreft!” Voor deze stoutmoedige woorden werd hij in de gevangenis geworpen. Taliesin bemerkte dit aanstonds en zei tot Elphin's vrouw, dat hij de overmoedige rijmelaars wilde beschamen en met één wijs woord der Druiden zijn heer zou

TALIESIN, DE LAATSTE DER BARDEN. 389

bevrijden. Aan het hof van Maelgwn was alles in drukke be- weging ter viering van het feest en Talisin kon onopgemerkt in een hoekje gaan zitten, waar de barden voorbij moesten komen, om tijdens de feestmaaltijd de lof van hun heer te zingen. Terwijl nu de een na den ander voorbijschreed, stak Taliesin zijn lippen telkens vooruit en speelde daarop met zijn vingers, zoodat een dof geluid: „Blerwm, Blerwm” te voor- schijn kwam. Zij namen niet veel notitie van den jongen zanger, maar toen zij voor den koning stonden, spitsten allen op wonderlijke wijze hun lippen en begonnen daarop met hun vingers te trommelen, zoodat de koning wel moest denken, dat zij waanzinnig of dronken waren. Toen wees de eerste der barden Heinin Vardd op den jongen in den hoek en beduidde zijn meester, dat door diens invloed zij allen waren gebonden. Taliesin werd voor den koning gebracht en op diens vraag, wie hij was en vanwaar hij kwam, antwoordde hij in verzen:

„Ik ben de eerste bard van Elphin, en mijn eerste vader- land is de sfeer der cherubijnen; ik was met mijn Heer in de hoogste der hemelen, toen Lucifer naar beneden stortte; ik heb het vaandel voor Alexander uitgedragen, ik ken de namen der sterren van noord tot zuid. Ik was op de plaats der kruisiging van den genadevollen Zoon van God, driemaal was ik een tijd gevangen door Arianrod, eerste opzichter was ik bij het bouwen van Nimrod's toren: ik ben een wonder, wiens oorsprong men niet kent. Ik was in Noah's ark, ik heb de vernietiging van Sodom en Gomorrha gezien, in Indië was ik, toen Rome gebouwd werd. Ik was met onzen Heer in de kribbe van den ezel, ik sterkte Mozes door het water van den Jordaan, ik was aan het firmament met Maria Magdalena. Ik ben een leeraar van alle wezens geweest, ik kan de geheele wereld onderrichten.”

En zich tot de barden richtend, zei hij: „En gij, armzalige rijmelaars, wanneer ge nog een vonkje der wetenschap van de oorspronkelijke barden in u hadt, dan zoudt ge dezen koning kunnen zeggen, wat hem te wachten staat. Maar ge

390 TALIESIN, DE LAATSTE DER BARDEN.

kunt niet meer tusschen waarheid en schijn onderscheiden en ik zal die taak op mij nemen, om Elphin te kunnen bevrijden uit den steenen toren, waarin hij zucht.”

In een lied beschreef hij daarop het aanstormende, machtige monster, dat onzichtbaar over zeëen en wouden aanrolt met krachtig geweld, ofschoon het onzichtbaar is en plotseling beukte de orkaan tegen het kasteel, zoodat de muren sidder- den en iedereen dacht, dat het huis boven hun hoofden zou instorten. Aanstonds beval Maelgwn Elphin haastig uit zijn kerker te halen en zijn boeien openden zich vanzelf, toen Taliesin hem een ode der bevrijding toezong.

Hij zong nog eenige liederen, weemoedig herdenkend de heerlijkheid der oude bardenwijsheid en de genade hunner inspiratie van weleer en het droevige verval, dat hij thans moest aanschouwen. En uit zijn diepe kennis der geheime- nissen van het menschenbestaan zei hij de volgende spreuken '):

Drie levenstoestanden kent alle bestaan der eindige wezens: het begin in Annwfn 2?) (de donkere oerschoot der wereld) de doorgang door Abred (de physieke wereld) en de volheid in

) Uit Le Mystère des Bardes de l'Isle de Bretagne, 46 Triaden, vertaald uit het Kymrisch en toegelicht door Adolphe Pictet, Genève 1854. Ofschoon deze triaden ons niet in een onmiddellijk uiterlijk verband met de gedichten op naam van Tatiesin zijn overgeleverd, zijn ze innerlijk één met zijn persoonlijkheid. De moderne critiek (o.m. Dottin Antiquité Celtique) ziet in deze wijsheid een mystificatie van den 18-eeuwschen copist, die ze ons tenslotte opschreef. Wie met de volheid van modern geesteswetenschappelijk onderzoek uitgerust dit werkje ter hand neemt, is verbaasd en ontroerd in deze spreuken, in bepaalden vorm gegoten, een laatste rest der oerwijsheid terug te vinden, die eens de priester-kunstenaars der oude Europeesche mys- teriën hebben doorleefd. Uit het innerlijk verstaan dezer teksten openbaart zich hun oorspronkelijke waarde als kosmische aanschou- wing, die zooals Pictet zoo juist uitdrukt, door geen middeleeuwschen bard en door geen beinvloeding van andere wijsheidsgedachten had kunnen worden opgesteld. Mogen ons de uiterlijke banen, waarlangs ze zich in den loop der tijden hebben voortgedragen ondoorgrondelijk zijn, hun kern spreekt tot ons als onverwoestbare waarheid, die het

„wetenschappelijk” onderzoek moest verliezen. 2) Spreek w uit als oe.

TALIESIN, DE LAATSTE DER BARDEN. 391

den hemel of de sfeer van Gwynfyd; (het geestland) en zon- der deze drie dingen kan geen wezen bestaan, behalve God.

Drie noodzakelijke voorwaarden in Abred: de minste (graad) van alle leven (bewustheid) en van daar zijn begin; de stof van alle dingen en van daar de groei, die in geen anderen staat kan plaats vinden; en de vorming voor ieder ding van den dood en vandaar de opheffing van het bestaan.

Drie oorzaken voor de noodzakelijkheid van de sfeer van Abred: de ontwikkeling van de materieele omkleeding van elk zielewezen; de ontwikkeling der kennis van elk ding en de ontwikkeling der moreele kracht om alle tegenstand te over- winnen in Cythraul') en zich te bevrijden van Drwg’). En zonder dezen voortgang van elken staat van leven, zou er geen volmaking voor eenig wezen zijn.

Drie noodzakelijke voorwaarden zijn er om tot volheid van kennis te geraken: zich bewegen door Abred, zich bewegen door Gwynfyd en zich alle voorbijgegane dingen herinneren in Annwín.

Drie dingen zijn onvermijdelijk gebonden aan het bestaan in Abred: de overtreding van de wet, want dat kan niet anders zijn, de bevrijding door den dood van Drwg en Cythraul; de groei van het leven en het goed door de verwijdering van Drwg in de bevrijding van den dood: en dat door de liefde van God, die alle dingen omvat.

Drie dingen zijn vooral (te verkrijgen) in den staat van menschelijkheid: wijsheid, liefde en (moreele) kracht in den hoogst mogelijken graad van ontwikkeling, voordat de dood

1) en ?) Hier wordt duidelijk uitgesproken, dat de moreele kracht in het menschenwezen slechts ontwikkeld wordt door zijn strijd tijdens het materieële bestaan met twee tegenstanders: Cythraul verwant met het werkwoord cythru = terugstooten, beteekent even- als Satan: tegenstander; Drwg is te stellen naast sanskriet druh = schade doen door bedrog, ook schadelijke demon. Men denke aan ons woord bedrog: valsche dingen voorspiegelen; vgl. oudnoorsch draugr bedriegelijke schijnbeelden voorspiegelende dwerg. We zien hier de beide weerstandsmachten optreden, die door de Anthropo- sophie als Lucifersche en Ahrimanische wezens worden aangeduid.

392 TALIESIN, DE LAATSTE DER BARDEN.

komt. Deze kunnen niet verkregen worden vöör den mensche- liiken toestand en slechts door het voorrecht van de vrijheid en de keuze. Zij worden de drie overwinningen genoemd.

Drie overwinningen zijn erop Drwg en Cythraul: de wijsheid, de liefde en de kracht; want het weten, het willen en de macht vereenigd, kunnen als tot stand brengen, wat ze willen. Zij beginnen op den menschelijken ontwikkelingstrap en duren eeuwig.

Drie voorname (kenmerken) van de sfeer Gwynfyd: afwe- zigheid van kwaad, afwezigheid van behoefte, afwezigheid van dood.

Drie dingen worden het menschenwezen in de sfeer Gwyn- fyd teruggegeven: zijn oorspronkelijke „awen” (inspireerende genius) de oorspronkelijke liefde, de oorspronkelijke herinnering, want zonder deze zou hij geen geluk kennen.

Drie vermogens van de wijsheid: de mogelijkheid tot belichaming door iederen levenstoestand heen; de herinnering aan den doorgang door iederen levenstoestand en zijn gebeur- tenissen en kunnen intreden naar wilsvoorkeur in den een of anderen toestand volgens ondervinding en oordeel. En dit zal worden verkregen in de sfeer Gwynfyd.

Drie dingen verminderen voortdurend: de duisternis, de dwaling en de dood.

Drie dingen groeien voortdurend: het vuur of het licht, de intelligentie of de waarheid en de geest of het leven. Deze dingen zullen eindelijk alles overheerschen en dan zal Abred verzinken.

KERSTMIS. DOOR WILLEM A. MIRANDOLLE.

Joh. 1, 14: »En het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, eene heerlijkheid als des Eeniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid.”

Terwijl het Oosten het Paaschfeest in de diepte der ziel had weten op te nemen, waren de Germanen bijzonder toegankelijk voor het Kerstfeest.

Eens wisten onze voorvaderen te treuren, werkelijk diep te treuren, om den dood van Baldur, om het verdwijnen van licht en leven uit de natuur. Toen had men het zoogenaamde Joelfeest, het feest van het keeren der winterzon.

Daar vinden wij eigenlijk het duidelijkst het Logos kerstfeest. Het feest van datgene in den Christus, dat in den omvang- rijksten zin betrekking heeft op den kosmos. Het feest van het licht, dat in de duisternis schijnt.

Maar hoe van harte schoon de vrome sluier ook mag zijn, waarin het Germaansche gemoed het kerstfeest had gehuld: hier voor de kerstmajesteit van dit woord mag en moet het gezegd worden: het grootste hebben de Germanen ons toch nog schuldig moeten blijven, namelijk niet alleen de heerlijkheid van het gemoed, maar ook de geheele geestelijke grootheid van hetgeen in dit woord leeft, voor ons plaatsen!

Een goed begin vinden wij in Hegels Religionsphilosophie; ook in den geloofsleer van een Schleiermacher. Maar dat is niet alles. Nog grootere dingen kunnen komen. En nog grootere dingen willen komen. Beproeven wij nu eens te zien, naar datgene, wat zou kunnen komen, doordat wij de volle kracht van het kerstfeest uit het evangelie op ons laten werken.

En als wij nu samen deze woorden binnentreden, is het mij, als moest ik U in een hoogen dom leiden. Beschouwen

394 KERSTMIS.

wij dezen dom eerst eens heel uiterlijk, in zijn fijne, zuivere, geestelijke vormen. „En het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond. Het daalt voor ons af, van boven naar beneden, zich naar beneden als het ware verbreedend, vooral in de Grieksche woorden. „En wij hebben Zijne heer- lijkheid aanschouwd eene heerlijkheid als des Eeniggeborenen van den Vader vol van genade en waarheid.” Heerlijk stijgt het op, zich naar boven welvend en daar verder ver- vloeiend, het wordt stil, sterft weg. O, daarbij kunnen wij nog meer gevoelen dan alleen een kunstgenot. Deze ouden spraken niet anders en niet alleen in het Christendom spraken niet anders, dan doordat zij het heilige wereldrhythme diep innerlijk in zich lieten klinken. Het is, als wilde het rhythme nog meer zeggen, dan de woorden alleen, zooals alle werkelijke kunst een openbaring is van geheime natuurwetten, welke zonder deze in het geheel niet tot uiting konden worden gebracht. Wie een dergelijke spreuk hoort, is het te moede, als beluisterde hij de diepste geheimen van het wereld-worden en de wereld- verlossing. Langzamerhand wordt het ons duidelijk, hoe iemand bij het aanhooren van onze kerstspreuk kan zeggen: het is mij, als zie ik zooals eens de herders op het veld in den geopenden hemel en hoor ik den lofzang der engelen: Eere zij God in den hooge en vrede op aarde in de menschen een welbehagen. Juister gezegd: De goddelijke wezenheden uit den hooge openbaren zich, opdat vrede heersche op aarde bij de menschen, welke doordrongen zijn van een goeden wil.

Gelijk een levende dom is een dergelijke spreuk. Geen architect op aarde zou een prachtiger dom kunnen bouwen. Als wij dan nader treden, is het ons, alsof in dezen dom een priester bij het altaar staat. Hij houdt het allerheiligste hoog boven zich. „Wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd” met deze woorden omvat hij het allerheiligste. „Eene heerlijkheid als des Eeniggeborenen van den Vader” nu heft hij het ор. „Vol van genade en waarheid.” Daar straalt het helder tot in onze ziel!

„Wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd”, vertelt ons de

KERSTMIS. 395

evangelist. Dat klinkt zoo bescheiden, zoo veelzeggend en zoo geheel waarachtig: wij zagen zijn heerlijkheid! Dat zijn de evangeliën en vanuit deze ziel zijn zij geschreven: wij zagen zijn heerlijkheid! Wie de evangeliën niet zoo leest, maar bijvoorbeeld alsof hij een bedrieger heeft te ontlarven zooals dat toch in onzen tijd veelal gebeurt voor hem sluiten zij hun innerlijk af. Willen wij ook begrijpen, wat in de evangeliën is te zien, dan moeten wij zelf onze oogen meebrengen. En wat is er hier te zien?

Daartoe denken wij eerst eens aan een heel eenvoudige geschiedenis. Jezus trekt Jericho binnen. Het volk dringt om hem heen, bewogen jubelend. Maar hij ziet, dat de oogen van Zachéüs vanuit een boom op hem zijn gericht en dadelijk roept hij: „Zachéüs! haast u, en kom af; want ik moet heden in uw huis blijven.” (Luk. 19, 5.)

Zoo verhalen de evangeliën het. Niet meer, niet mooier, alleen het zakelijke. Wat is daar nu te zien? Stellen wij ons nu het oogenblik voor, waarop Luther te Worms aankwam. Het volk drong om hem heen en hij had dan tot een veracht mensch in een boom geroepen: kom dadelijk naar beneden, ik moet vandaag bij je logeeren! Onmogelijk! Daar voelen wij toch wel dadelijk het groote verschil tusschen dezen Jezus Christus en bijvoorbeeld een Luther. Letten wij er nu op, hoe uit dezen Jezus de goddelijke genade vloeit, zonder te letten op het rumoer der menschen, zonder acht te slaan op de meeningen der menigte. Genade voor dengene, die het nu noodig heeft: „haast u en kom af; wantik moet heden...!” De woorden zijn zoo gekozen, dat zij alle tegenbeweringen glansrijk overwinnen, dat zij als een niet te weerleggen macht van genade binnen breken. „Vol van genade.” Dit geheele beeld is zoo, alsof het slechts een zwak spiegelbeeld was van een groote wereldgebeurtenis. God zelf komt bij de menschen, welke hem noodig hebben, maar hem niet verdienen!

Vol van genade. In de absolute werkelijkheid is het geplaatst, duidelijk en waar, als hoogere werkelijkheid, als de hoogere werkelijkheid. Vol van genade en waarheid, Juist het feit,

396 KERSTMIS,

dat de evangelist er het woord ,waarheid” aan toevoegt, is voor het beleven heel belangrijk. Genade, maar niet alleen als gevoel, maar als diepste werkelijkheid, als de echte waarheid. Het is, als zagen wij op naar den sterrenhemel en zouden zeggen: dat is schoonheid! en er dadelijk aan toevoegen: en diepste wetmatigheid en trouwheid. Zoo gaat het door alle evangeliën heen.

Wie dit werkelijk heeft beleefd, schuwt ook niet terug voor het laatste: „eene heerlijkheid als des Eeniggeborenen van den Vader”. Vreest niet, dat daarin nu opeens een dood dogma u het hart zou willen verstijven. Hadden wij hier te doen met een dogma, dan zou het zeker niet in onzen tijd passen, maar nog veel minder in deze spreuk. Het gaat er voor ons immers niet om, of wij als menschen iets mogen bekennen. De vraag rijst op: hoe komen wij geheel vrij in onzen tijd tot een dergelijke bekentenis?

Wie ziet, eenvoudig ziet, bijvoorbeeld uit de boven aan- gehaalde geschiedenis van Zachéüs, hoe de woorden en daden van dezen Jezus voor Christus als uit het hart van God zelf opwellen, hoe deze woorden en daden werkelijk ontvangen zijn „uit den Heiligen Geest, geboren van de maagd Maria”, wie ziet, hoe Jezus niet slechts ééns van God geboren is, doch steeds weer opnieuw rein geboren wordt gedurende ieder oogenblik van zijn leven, wie ziet, hoe deze Jezus Christus staat in de zuivere lijn, welke van God tot de menschen leidt, zal bekennen: als er een mensch is geweest, die van God geboren was, dan was Hij het, en geen ander. Hoe sterker wij hem beleven, des te meer zien wij, hoe daar werkelijk de goddelijke stem spreekt, in eenvoudige menschelijke taal, des te meer is ook het oogenblik nabij, dat wij achter dezen Jezus den Christus zien. In Jezus zien wij den Christus stralen, als een groote, lichtende heerlijkheid. Uit hem kunnen we genade na genade, waarheid na waarheid ontvangen. Maar dan weten wij ook: deze Christusheerlijkheid is er. Zij is er voor ons allen. Zij is heel nabij, als een levende, persoonlijke, groote, rijke wereld, als een hemel, als God zelf voor ons menschen.

KERSTMIS. 397

Ja, werkelijk, zoo is het! Ное kunnen wij het anders uitdrukken, dan door de woorden: „de Eeniggeborene van den Vader.” Maar het is nu, als wenkte de priester, om de trappen naar de altaarruimte op te stijgen, om daar als het ware nog een communie te houden, niet van den enkelen mensch, doch om zoo te zeggen, van den „menschheids-mensch”. Geen communie der ziel, doch een communie van den geest. „En het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond.” Misschien komen deze woorden ons in het eerst hard voor. Waaraan dat ligt? Eenvoudig daaraan, dat het woord, de woorden, voor ons iets als een schaduw zijn geworden. Wij voelen er iets phrasenachtigs, iets doods, iets onwaars in. Wie voelt in onzen tijd nog werkelijk, dat de ouden bijv. het woord ,God” niet durfden uit te spreken, omdat het hen toescheen, als raakten zij dan iets aan, wat zij zouden kunnen dooden! Een begrip daarvan kunnen wij misschien krijgen, als wij ons duidelijk maken, wat er eigenlijk gebeurt, als een mensch spreekt. Oude, wel bekende klanken van onze taal hooren wij. Maar, terwijl iemand spreekt hooren wij deze klanken toch eigenlijk nauwelijks meer: geest openbaart zich aan ons, levende geest, welke alleen uiterlijk een kleed noodig heeft van woorden, om voor de menschen te kunnen verschijnen. En deze geest werkt scheppend aan ons, vormt aan Ons, wanneer ook slechts voor een oogenblik, volgens zijn beeld, Geest, welke zich vanuit het innerlijke openbaart en naar buiten schept dat beleven wij. Dat is het „woord”, Wanneer wij dit nu juist zoo beleven buiten in de natuur, als wij de bloem niet slechts zoo kunnen beleven, dat zij ons haar vormen en kleuren toont, doch zoo, dat zij met ons spreekt; als wij de zon kunnen gevoelen als een levend woord, dat dagelijks tot ons wordt gesproken, een blijvend woord, een krachtig woord, een leven- gevend woord, dat heel anders en tevens sterker dan het menschelijke woord is; wanneer wij den sterrenhemel zoo ge- voelen, als werd daar door heilige stemmen tot ons gesproken ; als wij het woord overal om ons heen kunnen gevoelen, ja, gelijk één enkel scheppingswoord van God dan zijn wij

398 KERSTMIS.

althans op weg, datgene nieuw te veroveren voor onzen tijd, wat de ouden bedoelden, wanneer zij met diepsten eerbied zeiden: het woord.

Wij hebben in onzen tijd de logica, maar den Logos hebben wij verloren. De logica moeten wij behouden, den Logos echter opnieuw zien te veroveren, En nu denken wij aan de Christus- heerlijkheid, een heerlijkheid vol van genade en waarheid, een heerlijkheid vol van licht en leven. Wanneer wij ons slechts sterk genoeg voorwaarts en opwaarts werken met onzen geest, komt het oogenblik. waarop het ons duidelijk wordt. Deze Christusheerlijkheid is niet alleen het heil van onze ziel, zij is goddelijke geest. Zij is het goddelijke geesteswoord. Daar klinkt het in ons: het woord is vleesch geworden”. Nu hooren wij ook den trtomf, welke in de schijnbaar harde woorden ligt. Gedurende duizenden van jaren had zwaarmoedig in het Oosten geklonken, wat Jesaja uitspreekt met de woorden: „Alle vleesch is gras, en al zijne goedertierenheid als eene bloem des velds”. (Jes. 40,6.)

Eenigen hadden het vleesch verheerlijkt, anderen, de vromen, hadden het des te meer veracht. Tusschen beide treedt nu het groote: „het Woord is vleesch geworden.” Het vleesch wordt doorzichtig, wordt transparant, wordt Woord, wordt het groote goddelijke woord der liefde en het groote goddelijke woord der liefde wordt een menschenleven!

„Het Woord”: daarin ligt alle aanbidding van den hemel! „is vleesch geworden:” daarin ligt alle triomf der aarde! „en heeft onder ons gewoond”: daarin ligt alle jubel der menschheid!

„En heeft onder ons gewoond”: is het niet, als kwam er een krijger en vertelde ons, hoe zijn hoogste veldheer in de rouwe veldtochten alles met hem had gedeeld en tent aan tent met hem had doorgebracht? „En heeft onder ons gewoond” ; is het niet, als kwam een broeder tot zijn medebroeders en zei: verheugt u met mij! Het wonen der menschen, het menschelijke spreken, het menschelijke denken is gewijd, want Hij woonde onder ons. De mensch, die gedurende duizenden van jaren zich het liefst van de aarde zag afgerukt, verplaatst

KERSTMIS. 399

in geestelijke sferen, aanschouwt nu zijn aarde en zie: zij is geheel veranderd, zij is geadeld en hij met haar: „Het Woord is vieesch geworden en heeft onder ons gewoond.”

Dat is de communie van den menschheids-mensch in den geest. Als wij nu opzien, is het, alsof onze dom doorzichtig wordt. Van alle zijden zien wij groote volkerenscharen naar den berg trekken. Zij zoeken, wat wij nu juist hebben beleefd. Daar komen in het Oosten de Israelieten. Voor hen was het het hoogste, als tijdens de heilige uren het woord Gods tot de profeten kwam, bijvoorbeeld tot Elias. De goddelijke stem te vernemen was hun diepste verlangen. Maar ook zij waren aardemenschen. Zij wilden een rijk, als dat van hun vader David. De aarde zou een huis voor het goddelijke worden! Nu vereenigen zich beide: David en Elias. De goddelijke stem wordt aarde. Het woord wordt vleesch.

Vanuit het Westen zien wij een ander volk naderen: de Grieken '). Plato. De wereld der ideeën in eeuwige schoonheid levend en scheppend vanuit het goddelijke element. Phidias. De verheerlijking van het menschelijke lichaam in de kunst, de adel der natuur door den mensch. En nu vereenigen zich beide: wat in Plato heeft geleefd, en waarheen Phidias streefde. De idee wordt lichaam, het Woord wordt vleesch.

Uit het Zuiden komt een ander edel volk nader: de Indiërs. Brahma leeft in alles. In het wereldwoord „wha” laat hij meeleven, hoe hij zich plaatst in het geheele zijn, In het heilige woord „veda” verkondigt hij den mensch het wereld- geheim. Buddha was verschenen en had gewezen op al het zijn: dit alles is smart! Dit alles is niets dan vergaan! Niet dit is uw vaderland! Verheft U van de aarde! Dan komt nog een geheel ander dan Buddha.

Het wereldwoord zelf komt en verschaft al het vergankelijke een nieuwe ziel. Het woord wordt vleesch.

Waar zijn de Germanen? Vanaf het Noorden komen zij nader. Om dadelijk het hoogste uit hun geschiedenis te zeggen:

1) Vergelijk ook „Het Christuslicht”, Anthroposophie 2e jaargang no. 10.

400 KERSTMIS.

het was een geweldige bekentenis van den Germaanschen geest, toen Hegel zich tot den geest bekende. Alles is geest. Geest spreekt in alles. Het was een ander, even geweldige Germaansche bekentenis, toen Goethe zijn geheele zoeken en verlangen op de natuur richtte. De natuur, waaruit de mensch als voleinding voortkomt. De mensch, waaruit de kunst als haar verheerlijking ontstaat. Zoo kunnen wij in den Christus ook zien de vereeniging van deze beide: geest en natuur. De geest wordt natuur, de natuur wordt geest. Het Woord wordt vleesch.

Ons vizioen zinkt weg. Daar buiten duikt de wereld weer op. Wij zien haar geheel zonder blindheid. Daar is geen genade, maar geweld. Daar is geen waarheid, maar leugen. Daar is geen heerlijkheid, maar gemeenheid en egoïsme. Niet: het Woord wordt vleesch, doch het vleesch heeft het woord. Ja, tegenwoordig treurig genoeg tot in de religie toe, waar menigeen „God” zegt en daarbij alleen zijn eigen lagere hartstochten op het oog heeft. Dat alles zien wij in zijn volle duidelijkheid. Veel daarover spreken willen wij nu niet. Het dagelijksche leven zegt genoeg. Maar wee ons, als ons kerstfeest alleen een vizioen zou zijn!

Het Woord werd vleesch daarin ligt ook onze eigen levenstaak opgesloten. Niet het vleesch verafgoden, maar het vergoddelijken! Mag het in onzen tijd nog zoo onmogelijk toeschijnen: er kan voor ons geen andere levenstaak bestaan dan deze: zelf Woord te worden, Woord uit het goddelijke aan de wereld, tot de geheele wereld ervan is vervuld: een heerlijkheid vol van genade en waarheid!

DICHTKUNST IN DE TOEKOMST DOOR MAX STIBBE.

Hoe velen zijn niet ondergedompeld in een dagelijksch terug- keerend leven van zorgen, dat hun de mogelijkheid ontneemt aan iets anders te denken. Want mochten er nog spaarzame uren gegund zijn van rust na de arbeid, dan is de vermoeienis naar lichaam en ziel te groot om zich nog te kunnen bezig- houden met geestelijke problemen. Bovendien is het geestelijk leven van onzen modernen tijd niet van dien aard, dat het bron van nieuwe levenskrachten inhoudt. Wel is dit iets dat men vinden kan in vroegere cultuurperioden, maar het cultuurleven der menschheid verandert; en de moderne menschengeest kan niet leven op afgeloopen cultuurvormen, maar moet zijn levens- krachten putten uit zijn eigen tijd.

Wat biedt ons onze moderne beschaving? In de philosophie? Grootendeels een epigonendom van de droge, levenlooze, Поре-" loos abstracte Kant. Waarom niet aan den kant gezet, datgene wat daar hoort. Want in werkelijkheid hoort een denkwijze als die van Kant veeleer in de tijd van Dante thuis, dan in onze moderne tijd. Ten deele daardoor heeft de moderne philoso- phie de menschen niets te zeggen. Men leze slechts wat een figuur als Albert Schweizer over de philosophie zegt in zijn kort geleden verschenen brochure „Verfall und Wieder- aufbau der Kultur.” Heeft de kunst ons iets beters te bieden, waardoor we ons verheffen kunnen boven het leven van alledag? Zeer, zeer weinig. Op elk kunstgebied vrijwel leven we in decadentieverschijnselen van de allerergste soort; de kunst kent haar roeping niet meer. Sporadisch wordt hier en daar in het klein iets geleverd, dat genoemd kan worden. Maar waar zijn de omvattende genies als Lionardo, Michel Angelo, Raffael, als Goethe nog was, geniën die wisten kosmische grootheid te brengen in het leven op aarde. Eén leeft er in Europa, die

402 DICHTKUNST IN DE TOEKOMST.

voor al deze niet onderdoet, maar te weinig nog wordt hij als zoodanig erkend. Dat is Rudolf Steiner. Het Goetheanum werd pas bekend, nadat het verloren was. Zijn mysteriespelen zijn nog geen gemeengoed geworden, hoewel zij ons de tragiek zeggen van de moderne ziel, die omhoog streeft, de tragiek van de moderne Faust. Hij is een woordkunstenaar zooals er geen tweede te vinden is, met elementare macht dringen de woorden door de kosmische schoonheid van hun klankopeen- volging, door de kleurenmelodie van de klinkers door tot in het innerlijkst wezen van den lezer, die beseft, dat het woord niet een aardsch goed is, maar van kosmisch geweld en aan den mensch is gegeven om uiting te geven aan zijn zieleleven. Slechts het lichaam met zijn strottenhoofd zijn aardsche elementen. De ziel, die zich uit door het woord, is een bovenzinlijk en bovenaardsch wezen, dat van het lichaam als van haar werk- tuig gebruik maakt. Zoodat de oertaal, waarvan de moderne talen nog maar zwakke afbeeldsels zijn, een product was uit kosmische werelden. De moderne taal heeft, door de intellek- tueele ontwikkeling die de mensch doormaakte, zich mèt de mensch afgekeerd van zijn kosmisch vaderland en zich gericht op 'taardsche, " doode, ’t prozaische. Daarmee verloor zij haar kracht. Die brengt haar Rudolf Steiner opnieuw in zijn taal; hij is een echte woordkunstenaar, een dichter.

Een ander, die door de kosmische oorsprong van de taal zijn gedichten schoonheid en levenskracht geeft, is Albert Steffen. Boven de aarde uitgaande in strijd met zichzelve, bekijkt hij de dingen op aarde anders dan tot nog toe gangbaar was. Degeen die zich met liefde verdiept in zijn beschouwingswijze, die zijn gedichten vorm geeft, het levendige rythme, de beel- dende kracht, die voelt zich opgeheven worden in regionen, die hij zoo gemakkelijk uit zichzelf niet vinden zou.

En dat is de taak van den kunstenaar in het algemeen, van den dichter in het bijzonder. Want wat is eigenlijk datgene waarmee zich bezig houden al de velen, die ondergedompeld zijn in een dagelijksch sleurleven. Daarin is weinig waarheid, weinig schoonheid, weinig goedheid. Dat er geen schoonheid

DICHTKUNST IN DE TOEKOMST. 403

in steekt in het algemeen zal wel iedereen toegeven. Dat het vaak onwaar en zedelijk niet verheffend is, misschien niet iedereen. Daarvoor dan een paar karakteristieke voorbeelden. Het vak van den koopman b.v. is nuttig en noodig, maar dat de manipulaties in den handel b.v. oneerlijkheid uitsluiten valt te betwijfelen. En steekt er veel moraliteit in een streven om goederen zoo goedkoop mogelijk in te koopen of anderen daarmee benadeeld worden is onverschillig en dan zoo duur mogelijk te verkoopen? Of is het een hoog moreel streven het arbeiders- en ander personeel tegen zoo laag mogelijk loon te laten arbeiden onverschillig of ze ervan leven kunnen en ze zooveel mogelijk te laten werken! En wenden we ons naar een meer geestelijk beroep, dat van den onderwijzer. Is men in waarheid opvoeder, als men in de allereerste plaats moet denken: wat eischt de wet, dat ik de kinderen dit uur inpomp?, terwijl daarbij de werkelijke opvoeding op den achter- grond gedrongen wordt. Was de moderne onderwijzer een mensch, die dat voelde en onafhankelijk zich voelde, dan zou hij aan deze onwaarheid niet mee willen werken. Nu zijn er twee mogelijkheden. Of hij voelt het niet en is dan zeker niet iemand die opvoeder genoemd kan worden: hij is dan op- voeder zonder het in werkelijkheid te zijn en koestert onbewust een innerlijke leugen, òf hij voelt het wel maar blijft toch onderwijzer omdat ‘het nu eenmaal zijn broodje is, en dan koestert hij dezelfde innerlijke leugen. Steekt daarin waarheid of moraliteit? Zou ik het mis kunnen hebben en zou het land trotsch moeten zijn op zijn onderwijzers, omdat het in hooge mate moreel hoogstaande menschen zijn, met strevende zielen naar het betere? Ik vrees van niet.

Mijn luttele voorbeelden zijn gemakkelijk te vertien- en te verhonderdvoudigen, voor wie met open oogen rond wil zien. Het ware, het schoone en het goede, deze drie hooge idealen, die onbewust leven in elke mensch, worden onderdrukt door het dagelijksche leven. Ное Кап het ook anders. De grond- impuls daarvan is meestal het geld verdienen, niet zoozeer het dienen van de gemeenschap. Dat is begrijpelijk. Waarvoor wil

404 DICHTKUNST IN DE TOEKOMST.

men het geld verdienen. Om in zijn onderhoud en dat van zijn gezin te kunnen voorzien; alles zuiver aardsche belangen, alles om het lichaam te dienen. De ziel heeft in werkelijkheid geen deel aan het dagelijksch leven en moet er toch aan deelnemen. Het maakt hem treurig еп ziek, zenuwziek noemt men dat tegenwoordig.

Het ware is het gebied van de philosophie, de denker dringt binnen door de krachten van zijn hoofd in haar gebied. Het is een verheven gebied, verheven boven het aardsche. De moderne philosophie negeert dat te vaak. Daardoor is zij on- bruikbaar, En ook vergeet zij dat het gebied van het ware toch dringt in elke stap die de mensch doet, elke gedachte, die hij denkt en dat een philosophie die voor haar taak berekend is het geheele cultuurleven behoort te doordringen. Voor een eeuw was dat ook nog zoo.

Het goede is het gebied van de ethica. Het moet het wils- leven, dat zich uit in de menschelijke handelingen doordringen. De kracht tot het goede moet elk uit zichzelf putten, voor elk gevoel moet elk mensch zelf weten welke handeling de goede, welke niet. Daarvoor zijn moreele inzichten noodig. Daartoe behoort een denken, dat zich bewust